1. Historie
Mierlo
Voor de herkomst en betekenis van de naam worden een aantal verklaringen genoemd. Enkele
daarvan zijn: “Mier” kan verwant zijn aan “moeras” of wijzen naar het beekje “de Mierle” wat in de
nabijheid van de nederzettingen stroomde.
“Lo” is bos, of grasrijke en met laag houtgewas begroeide plek in of bij een woud; ook een open
plek in het bos bij een moeras” bos’ en ‘waterloop’, ‘dorp aan de waterplas’. Volgens historicus Jean
Coenen* (voetnoot)?: moeras bij een (hooggelegen) bos. Plaatsnamen eindigend op “lo” worden
algemeen als vroegmiddeleeuws aangeduid.
Behalve Mierlo zijn er nog 8 schrijfwijzen bekend voor het benoemen van ons dorp. De oudst
bekende naam, Merloe kwam voor in 1256. De naam die wij hebben gekozen als naam voor onze
Heemkundekring, Myerle (uitgesproken als Mierle) kwam voor in 1335. Hoelang deze naam in
gebruik is geweest is niet bekend.
H. Lucia, patrones
In 1459 is voor het eerst sprake van een altaar voor de Heilige Lucia. Vanaf 1570 wordt ze genoemd
als patroonheilige van de kerk van Mierlo. Sinds 1817 prijkt de afbeelding van de Heilige Lucia in het
gemeentewapen.
Annexatie en fusie
Mierlo-Hout is op 1 januari 1968 geannexeerd door Helmond Mierlo-Hout waardoor het
inwoneraantal van Mierlo halveerde. Op 1 januari 1995 is ter voorkoming van de volledige annexatie
van Mierlo, Brandevoort aan Helmond afgestaan.
Op 1 januari 2004 is de gemeente Mierlo gefuseerd met Geldrop en heet voortaan gemeente
Geldrop-Mierlo.

Wapenschild Mierlo

Wapenschild Mierlo-Hout
Bevolkingsomvang
In de 15e t/m 18e eeuw had Mierlo een bevolkingsomvang die redelijk stabiel bleef tussen de 200 en
300 inwoners. Na jaren van groei werd de omvang vaak aangetast door een uitbraak van een
besmettelijke ziekte en viel dan weer sterk terug. In de 19e eeuw begon de bevolking sterk te
groeien. In 1900 had Mierlo 2.609 inwoners. Ook in de 20e eeuw ging de groei gestaag door. Al voor
1930 had de bevolking zich in deze eeuw verdubbeld. De verdubbeling zou zich binnen 40 jaar weer
hebben voorgedaan. Op 22 december 1962 werd Frank Hurkmans als eerste 10.000e Mierlonaar
ingeschreven. Door de afsplitsing van ’t Hout was de bevolking in 1970 weer teruggevallen tot 6.103
personen. Bij die afsplitsing stelde de gemeenteraad een groeidoelstelling van opnieuw 10.000
inwoners vast. Op 13 november 1988 was het zover. Simone van de Wiel werd geboren en
ingeschreven als tweede 10.000e inwoner van Mierlo. Toch zou er ook nog een derde 10.000e komen,
want door de overdracht van Brandevoort aan Helmond, op 1 januari 1995, daalde het
inwoneraantal weer en kwam uit op 9.975. Op 25 februari van dat jaar was het aantal van 10.000
weer gehaald. De geboorte van Jonathan Franken zorgde daarvoor. Op 1 januari 2013 had Mierlo
10.070 inwoners.
Prehistorie
10.000 jaar v. Chr. verbleven er al mensen in wat nu Mierlo is. Ze leefden van de jacht op klein wild
en vruchten en hadden nog geen vaste verblijfplaats.
In de 2e helft van de Nieuwe Steentijd (ca. 11.000 jaar voor Christus) treffen we overblijfselen van
de eerste vaste bewoners aan nabij de Molenheide, de Luchense Heiden en Vaarle. Pas vanaf de
IJzertijd (ca. 750 jaar voor Christus) is er frequente bewoning geweest in dit grondgebied. Bij
opgravingen op o.a. Neerakkers, de Loo, Luchen, het kerkterrein van Mierlo, Stepekolk,
Brandevoort, Hazenwinkel, Ashorst zijn talloze nederzettingssporen uit de IJzer- en de z.g.
Romeinse tijd blootgelegd.
Mensen hebben voor hun bewoning altijd de meest gunstige plaatsen gekozen. In de IJzertijd en de
Romeinse tijd waren dat vooral de hoge plaatsen langs de beekdalen. Hoog zodat ze droog konden
wonen en de beekdalen omdat daar water beschikbaar was en de grond vruchtbaar was.
Klimaat en de nederzettingen
Na de instorting van het Romeinse Rijk ± 400 na Christus nam de bewoning in onze streken
geleidelijk af en begon de z.g. Grote Volksverhuizing ook wel de Post Romeinse Leegte genoemd.
Hele gebieden raakten ontvolkt door talrijke oorlogen en plunderingen. Behalve op een hutkom in
Lierop na is er geen enkel teken van leven uit die tijd te bespeuren. Pas in de 7e eeuw ontstonden
er in deze regio nieuwe nederzettingen.
Na de Romeinse Tijd was ook het klimaat natter geworden waardoor de vroegmiddeleeuwse
bewoners gedwongen waren de hogere gronden op te zoeken. De vroegmiddeleeuwse
nederzettingen bevonden zich dus op de hoogste delen van het landschap welke later ook nog eens
opgehoogd werden met potstal waardoor de nederzettingen aanvankelijk moeilijk waren te
lokaliseren. Potstal werd verkregen door heideplaggen te vermengen met uitwerpselen van het vee
dat in de winter op stal stond en wat uitstekende mest vormde. Dit type bemestingsproces vindt
alom plaats vanaf de 11e á 12e eeuw, dan krijg je zo genoemde esgronden. Rond het begin van de
11e eeuw veranderde het klimaat weer: het werd droger, dit had tot gevolg dat de nederzettingen
op de hogere gronden weer werden verlaten in de richting van de lager gelegen beekdalen en
richting heide, men ging dan als het ware “over de akkers” wonen.
Zo’n 80 á 90 % van de mensen was destijds min of meer boer en afhankelijk van goede grond. Door
de drogere periode en de daarmee samenhangende verlaging van de grondwaterstand en de
toenemende bevolkingsaanwas trok een groot deel van deze bevolking dus naar de beekdalen en de
heidegebieden.
De heide hadden ze nodig voor de potstal, maar ook de sterk toegenomen vraag naar wol voor de
lakenindustrie in Vlaanderen speelde hierin een grote rol.
Een en ander zal niet van de een op de andere dag zijn veranderd, er moet uiteraard een
overlapping van tijd zijn geweest. Uit enkele heel oude toponiemen namen blijkt dat er toen de
nederzetting rond de kerk verlaten werd, inmiddels al gehuchten waren gesticht. Deze situatie
heeft ook geleid tot een flinke uitbreiding van gehuchten.
Maar ook langs de zeer oude doorgangswegen die wij nu nog kennen als de lintbebouwing gingen
mensen wonen, enkele boeren, maar ongetwijfeld ook handwerks- en handelslieden.
Dat het huidige centrum uiteindelijk ook echt uit heeft kunnen groeien tot kern heeft natuurlijk ook
te maken met het feit dat mensen uit sociale maar meestal ook uit veiligheidsoverwegingen dicht
bij elkaar wilden wonen.
In de late middeleeuwen waren o.a. de volgende gehuchten (schrijfwijze uit die periode) bekend.
Mierlo: Dorp, Over d’Acker, Louswijck en Bekelaer, de Merckt en Ellenaer, d’Oude Ven, Heijenent en
Luggen.
Broek: ‘t Broeck, Braeck, Heijserschoor, Haesewinckel, Cranenbroeck en Steepecolck.
Hout: het Hout, Brandevoort, St. Lambertseijnde, Merevoort, Berenbroeck en ‘t Gasthuijs.
Eerste centrum van Mierlo rondom de kerk.
Mierlo ligt op de waterscheiding van Dommel en Aa, ook het gebied rond de kerk valt hieronder.
Door archeologische waarnemingen en opgravingen gedaan in de bouwputten voor de openbare
school, de kantine van de Mierlose Tennis Vereniging, het oprichten van het collobarium, Bethanie
en nabij de Mona Lisa hebben we een goed beeld gekregen van het gebied rond de kerk. Aan de
hand van aardewerk scherven, botmateriaal, bebouwings-sporen, begravingen met soms belangrijke
bijgiften en boomstam waterputten met een flinke inhoud aan scherven, kan vastgesteld worden
dat het gebied al honderden jaren voor het begin van onze jaartelling bewoond was en dat met
flinke tussenpozen bewoond is gebleven.
We kunnen concluderen dat dit gebied vooral in de periode 700 – 1250 een voor die tijd goed
bevolkte nederzetting heeft gehad. Twee vondsten echter springen er toch wel uit. Een ervan is de
vondst van het Merovingische graf van een krijger bij de grondwerkzaamheden t.b.v. de bouw van
Bethanie. In het graf bevonden zich delen van een wapenuitrusting, bestaande uit een mes met
restanten van de zwaardriemhouder en een sax (zwaard met één snijkant).
Daarna bij grondwerkzaamheden op de locatie van de Mona Lisa bar door de vondst van 15 graven
uit de Karolingische tijd. Omdat in die periode de kerstening plaats vond en het feit dat er geen
grafgiften waren (dat was Christenen niet toegestaan) sterkt ons in het vermoeden dat er op die
locatie al heel vroeg een gebedshuis kan zijn geweest.
Kerk en religie.
Na het verlaten van een nederzetting zoals dat in Mierlo rond 1250 gebeurde, werd meestal een
nieuwe kerk gebouwd midden in de nieuwe nederzetting. Dat dit in Mierlo niet gebeurde, werd zeer
waarschijnlijk veroorzaakt doordat de kerk op hoge en vruchtbare grond stond, die eigendom was
van de Heer van Mierlo en omgeven bleef door gehuchten, waardoor de kerk centraal tussen de
nederzettingen ofwel gehuchten bleef “in Mierlo liet men de kerk in het midden”. We zien dat dit
ook in andere dorpen in de omgeving gebeurde.
De eerste schriftelijke vermelding van een kerk vinden we in 1263 waarin we zien dat Hendrik, een
zoon van de Heer van Mierlo pastoor was in Mierlo. In 1315 werden de patronaatsrechten, de
bediening van de kerk, het benoemen van pastoors en een groot deel van de tiendrechten
overgedragen aan de Norbertijnen van de abdij van Tongerlo.
In het begin van de 15e eeuw werd de toenmalige kerk steeds in delen gesloopt en met
gebruikmaking van de sloopmaterialen weer opgebouwd. Met de bouw van de toren in 1496 was de
nieuwe (stenen) kerk vrijwel voltooid. In 1648, bij de vrede van Munster, kwam de kerk aan de
Protestanten. De bewoners van Mierlo gingen toen meestal hun godsdienstplichten vervullen in
Weert. In 1672 kregen de parochianen van Mierlo verlof om een gebedshuis op te richten. In de
Marktstraat werd een eenvoudig godshuis gebouwd, die meer op ’n schuur dan op een kerk leek.
Een dergelijke kerk wordt dan ook schuurkerk genoemd. Tot ongeveer 1809 werden de
godsdienstoefeningen daar gehouden, in dat jaar kregen de Katholieken vele kerken weer terug. De
bewoners van ‘t Hout, de Marktstraat en nog een paar gehuchten wilden de kerk graag in de
Marktstraat houden, die van Overakker, ‘t Spitje enz. wilden ‘t oude, vervallen gebouw weer
betrekken. In 1818 werd de oude kerk weer in gebruik genomen en gingen in plaats van de
Norbertijnen seculiere geestelijken (geestelijke benoemd door de bisschop) de kerk bedienen.
In 1856 werd het oude gebouw afgebroken en liet pastoor Vissers op dezelfde plaats een nieuwe –
de huidige- kerk bouwen. De toren van oude kerk bevindt zich nog in de toren van de nieuwe, in
1858 gereed gekomen kerk en dat is nog te zien in het kerkportaal.
In 1874 haalde pastoor Vissers de zuster franciscanessen van Oirschot naar Mierlo. Zij gaven
onderwijs aan kleuters en meisjes en namen de verzorging van hulpbehoevende ouderen op zich.
Heren van Mierlo en het kasteel.
In 1256 is er voor het eerst melding gemaakt van een heer van Mierlo. In een oorkonde werd van
hem verklaard dat hij al 40 jaar rechten in het dorp Mierlo had. Rond 1220 moet dus een geslacht
zijn ontstaan van de Heren van Mierlo. Mierlo was een “vrije